Oorlog 40-45. Een verhaal over de Clemenskerk.

Clemenskerk_.jpg

- Een verhaal van Wil van Hamersveld over de Clemenskerk in Hilversum opgetekend op basis van vertelde herinneringen van haar moeder vanuit de winkel die zij uitbaatte gelegen aan  de Irisstraat, tegenover de kerk.

“Blijf maar…” De langgerekte kreet galmt door het huis, tegelijk met de winkelbel. Dreunend slaat de deur dicht waardoor de koperen klepel opnieuw even tingelt. “Waarom kom je niet gewoon achterom?”  roept moeder vanuit de keuken. “Ach, wat geeft dat nou?”. De reactie gaat verloren in het geraas van laag overkomende vliegtuigen. Met een zorgelijk gezicht sloft moeder de keuken uit en meteen de lange gang door omdat de winkelbel weer klingelt. De klant is een Duitser. Zijn militaire laarzen klinken onheilspellend op de marmeren vloer. “Haben Sie Käse?“ Ja, moeder heeft Käse.

Ze zet het half gebogen mes op de kaas en duwt er, met beide handen de uiteinden omvat, afwisselend links en rechts op, zodat het staal door de gele massa glijdt. De weegschaal daalt als ze de kaas in het bakje legt en ze moet een groter gewicht op de andere kant zetten om de koperen schalen in evenwicht te brengen. Als ie de deur weer opent grijnst de soldaat bij het horen van de koperen bel. ”Vielleicht brauchen wir diese auch…”

Verbaasd komt moeder vanachter de toonbank en loopt naar de koelbak. Van daaruit kan ze nog net over de etalagewand heen de ongewenste bezoeker nakijken. “Daar is Papa.” “Heb je al iets te eten?” roept Vader. “Ik zet nog even de melkbussen binnen”. Moeder knikt en loopt naar achteren. Met een zwaai zet Vader de eerste bus in de koelbak van de winkel. “Het is warm”, zegt ie puffend, “als de melk maar goed blijft”. In de achterkamer, waar het hoge buffet veel licht wegneemt, rammelt het bestek in Moeders handen. Ze denkt aan die soldaat en luistert eigenlijk maar half als vader weer eens voorspelt dat de kleine middenstander over twintig jaar niet meer meetelt.

De klok in de kerktoren aan de overzijde van de straat begint te beieren. Vader kijkt op de pendule. Half twee alweer. “Waarom luidt die klok eigenlijk?” “Weet ik veel”, zegt Moeder en staat op omdat de winkelbel gaat, nauwelijks hoorbaar door de kerkklok. “Nou ik ga weer, ik ben nog niet voor de helft klaar met venten”, zegt Vader en trekt zijn korte witte jasje aan en verdwijnt. Moeder komt terug en brengt het vaatwerk naar de keuken. Terwijl ze met een vochtige lap het tafelzeiltje afneemt klinkt van buiten plotseling laarzen gestamp en mannen stemmen. Alweer de bel. Er staan twee soldaten. Huiszoeking. In een flits realiseert Moeder zich, dat haar horloge boven voor het grijpen ligt. Ze gaat dus met de soldaat mee de trap op. Als ze weer terug komt stapt de andere militair net de kelder uit. Moeder loopt met hen mee naar de voordeur.

Buiten is een oploop. Drie mannen zijn bezig palen in de grond te slaan. Ze schreeuwen iets naar boven en nu ziet Moeder dat er ook mensen hoog in de toren zijn. Ze sluit de winkeldeur en gaat achter de etalage staan kijken. De mannen brengen een dikke kabel aan tussen de toren en de zojuist geheide palen. Boven zijn ze bezig de dwars latten uit de galmgaten te slaan. De kabel loopt vanaf de paal naar boven en via een katrol weer naar beneden. Langzaam dringt de waarheid door. Vielleicht brauchen wier diese auch….die grijnslach.. ZE STELEN DE KLOK! En niemand kan iets doen. Niemand kan ze tegen houden. Die rotkerels… Opdringende tranen vertroebelen het zicht. Rauwe kreten. Gesnauwde bevelen. Ze veegt de tranen weg. Langzaam daalt de felbegeerde klok langs de kabel. De zonnestralen weerkaatsen op het metaal. Dan schuift een wolk tussen zon en klok, alsof het zo is afgesproken en het tafereel versobert.

Beneden staat iedereen gespannen te wachten. Het is geen ongevaarlijk karwei. “Brak die kabel maar”, denkt Moeder vals. Maar dat gebeurt natuurlijk niet. Ze wil het niet meer zien. Ze rommelt wat in de winkel, verzet een paar blikken en loopt zich op te winden als ze er aan denkt wat er met de klok zal gebeuren. Ze had Vader er wel eens over horen praten… gebrek aan materiaal… omsmelten.. kogels. Om het geschreeuw niet te horen, gaat ze maar weer naar achteren.

Als ze een kwartier later in de kelder komt, mist ze opeens een paar pakjes boter van het winkelrantsoen. Nu laait de woede op. Ze rent naar boven, de gang door en naar buiten. De winkelbel gaat vreselijk te keer, zo hard rukt ze aan de deur. Niemand meer. Hijgend staat ze daar en komt langzaam tot besef, dat ze weinig had kunnen uitrichten. In de verte ziet ze Vader aankomen. Ze zwaait naar hem. Hij is er nog...