Marktmeester op de Centrale Markt

Markthal_Frans_Croese_2019.jpg

“Wat zoek jij nou hier, ze gaan de hallen binnenkort sluiten?” Toen Frans Croese (1942) in 1976 kwam werken bij de bij de Centrale Markt was dat het eerste dat de collega’s tegen hem zeiden, want ook toen stond deze plek al in het middelpunt van discussie. We spreken Frans en zijn vrouw Gitta (1944) over zijn 28 jarige carrière bij het Amsterdamse Marktwezen en haar opvolger het Food Center Amsterdam. De ‘buik van Amsterdam’ wordt deze plek vaak genoemd, want al het voedsel in de stad kwam er doorheen. Dat het met die sluiting geen vaart liep, behoeft geen toelichting: het Food Center zit er nog steeds, zelfs ook al zijn alle oude faciliteiten buiten gebruik, zoals de grote markthal en het koelhuis. Het abattoir is kort geleden afgebroken. 

Frans vertelt: “In 76 werkten er nog twintig geüniformeerde markmeesters van de Dienst Marktwezen van de gemeente Amsterdam.  Er waren veertien marktmeesters en zeven hoofdmarktmeesters. De laatsten waren altijd de ouderen: er was nog sprake van een cultuur van anciënniteit. Elke hoofdmarktmeester had een groepje onder dat verdeeld werd over de 24-uursdiensten.  Je moet weten, de Centrale Markt en alle gebouwen waren in die tijd eigendom van de gemeente en vielen onder haar toezicht. Daarom waren er zoveel marktmeesters.”

“Als ik ’s ochtends binnenkwam, melde ik me eerst bij de loge bij de portier en tekende me in op de presentielijst. Dat was nog heel oubollig toen, die loge was zo klein daar kon je met vier man niet in staan. Maar het mooie van de Centrale Markt was dat het allemaal kon en het draaide, hoe ouderwets ook. Na het tekenen was het kijken welke dienst ik moest doen. Het kon zijn dat ik bij de poort begon in de loge, of dat ik in de Markthal controle moest houden, of het verkeer moest regelen bij de benzinepomp. Verder was het hele terrein verdeeld in vakken en deelmarkten en iedereen kreeg wat. Je had toen nog de pieren A, B,C,  D en E aan het Oostelijk Marktkanaal en als marktmeester kreeg je twee of drie pieren toegewezen. Daar had je dan de controle voor een bepaald aantal uren. Het kon ook zijn dat je aan het Westelijk Marktkanaal stond, daar waren de pieren voor de aardappelgrossiers. De eerste dienst was altijd van 6 tot 10 en daarna volgde nog een serie kleinere diensten van 2 uur.”

De marktmeesters bestierden en controleerden alles wat er op de Centrale Markt gebeurde. “Je moet je voorstellen dan het een afgesloten terrein is, geen openbare weg, dus wij waren verantwoordelijk. We hadden dezelfde bevoegdheden als een politieagent op straat en waren ook geuniformeerd. ’s Ochtends vroeg stonden de kopers al in de rij voor de poort over de een flink eind van de Jan van Galenstraat en zo gauw we los gingen, wilde iedereen als een dolle naar binnen om zijn waren te kopen en weer naar de markten te rijden. Daar moesten ze hun kraam nog opbouwen voor hun verkoop kon starten, dus je kan wel snappen dat die mensen zo snel mogelijk door wilden. Op die markten hadden we ook taken, zoals in de verloting van de standplaatsen. Er waren nog heel veel markten in die tijd: de Albert Cuyp, Plein 40-45, Gulden Winckel, de ten Katestraat, Vespuccistraat, en hoe heette die andere nou… oja de Dapperstraat.”

“Wat we meemaakten op zo’n dag? Ach de gekste dingen, je kan het je niet voorstellen.” “Hij ken der een boek over schrijven, hoor” , valt zijn Gitta bij vanuit de zithoek. “Ja, dat denk ik ook wel eens”, gaat Frans verder, “als ik op dreef ben, kan ik blijven praten.  Elke dag gebeurde er wel iets…neem bijvoorbeeld Klaas Toeter. Eigenlijk heette hij Klaas de Wit, maar iedereen had bij ons bijnamen, hè. Klaas Toeter was een man die vis transporteerde. Wij noemden hem zo, omdat hij over het terrein scheurde met zijn aanhangwagentje en als hij bij de poort kwam moest hij altijd effe stoppen, effe toeteren en zwaaien. Waarom? Geen idee, gewoon om speciale aandacht te krijgen, denk ik. Dus Klaas kwam voorbij,  keek de loge in met zo’n dikke donkere uilenbril..’toetoet!’..en dan een ‘bonk’ omdat er bij de poort een kuil zat waar zijn aanhanger over heen bonkte. Elke dag ging dat zo: ‘Toetoet..bonk’… ‘Ja Klaas, we zien je hoor, rij nu maar weer door’, dachten wij dan. Maar op een dag had hij zijn aanhangwagentje niet goed geladen en de koppeling niet vergrendeld. Dus daar kwam hij weer aan: toetoet…bonk…klats! Toen zijn aanhangwagen over de kuil ging, schoot hij los van de trekhaak en donderde alle vis over de straat. Hij zuur natuurlijk, maar wij ook zuur! Want dan moest je die poort dichtgooien en dan krijg je me een sacherijn daarachter van de mensen die er niet snel uit kunnen. Dat is niet leuk hoor. Achteraf hebben we wel gelachen onder elkaar. En Klaas? Die heeft daarna nooit meer getoeterd.”