De stoffeerders van Bruggeman en de Zusters van Liefde

34_Delmee_.jpg

“Ik ben hier in de wijk geboren!” begint mevrouw J. P. H. T. Delmee-Bruggeman (1932) haar verhaal, terwijl we aanschuiven aan haar tafel in een huisje pal tegenover het klooster. Ze heeft haar hele leven hier gewoond. “Mijn vader heeft altijd in het klooster gewerkt. Wij hadden de woninginrichtingszaak Bruggeman en de zusters waren een klant van ons, nou ja een kleine klant dan. Hij deed er de gordijnen en heel vroeger ging mijn vader er ook nog behangen totdat dit meer iets werd van de schilders.” Later kregen de zusters vloerbedekking en mocht de firma Bruggeman die opnieuw leveren. Haar broer (de vader van Mariet Kuijs) zou de zaak overnemen en ook voor de zusters gaan werken. Mevrouw Delmee vertelt dat je als wijkbewoner de zusters kende uit de straat, maar het klooster zelf niet in kwam. Ook niet als je leerling was op de school. “We werden als leerling door de zusters goed verzorgd hoor. Als je viel op het schoolplein, dan ging je meteen naar de keuken en werd de schaafwond gewassen en kreeg je een pleister. Maar daarvoor ging je niet door het klooster heen! Nee, er was een aparte zijdeur, zodat je vanaf de zijkant de keuken in kon zonder in het klooster te komen.”

De duidelijke scheiding met ‘buiten’ merkte mevrouw Delmee wel vaker: “Mijn vader had voor de stoffeerderszaak staalboeken, met reepjes van de gordijnen die dat jaar te koop waren. Die wilden de zusters graag hebben voor het handwerken en ging ik met mijn broer elk jaar brengen op de step. De ene moest de zware boeken vasthouden en de andere sturen. Als we dan aanbelden deed een zuster open en zei ‘Ah heel fijn, de staalboeken, kom maar binnen!’, maar we kwamen niet verder dan de hal, hoor!” In de hal moesten de kinderen Bruggeman dan heel lang wachten tot een zuster eindelijk de boeken kwam ophalen. Als dank kregen ze een appeltje. “Dat kon er blijkbaar nog net vanaf” en vindt mevrouw Delmee achteraf gezien toch wel een beetje armoeiig. Een broer van mevrouw Delmee was actief in het Patronaat in de Jan Schöfferlaan aan de achterkant van het klooster, wat nu Wijkgebouw de Slinger heet. Het Patronaat was een soort jongerenwerk voor iets oudere jongens. Haar broer was onder andere verantwoordelijk voor de filmvertoningen op winterzondagen. “En dat was me een toestand! Die films heten altijd hetzelfde: ‘Rintintin de Wolfshond’ en daar waren dan 1000 afleveringen van.

De film kwam in van die grote spoelen in een stalen kist met de trein, maar je wist nooit van tevoren wanneer precies hij aankwam. Dus mijn broer en ik zaten dan ’s ochtend al te wachten op het perron en keken bij elke trein of de film er bij zat. Was de film er, dan was om twee uur de filmvertoning in het Patronaat. Maar ja, het mocht natuurlijk allemaal niet teveel kosten, dus die film moest dezelfde dag weer teruggespoeld worden en terug op de trein voor 7 uur, anders kostte het twee dagen huur! Dat was altijd een heel gedoe bij ons thuis.” Als stoffeerders hebben vader en later broer Bruggeman altijd met veel plezier voor de zusters gewerkt: “Ze waren ook altijd erg belangstellend, ook in je familie en zo. Mijn broer is helaas al overleden, maar twee zusters zijn nog op de begrafenis geweest.” Zelf mist mevrouw Delmee de Zusters van Liefde ook nog steeds in de omgeving: “Het was toch een soort rustpunt in de wijk.” Tegenwoordig eindigt in de Muntel alleen haar postcode nog ‘RK’…. “RK van Van Rooms Katholiek”, lacht ze. “Met die postcode wonen tegenover het klooster! Het kan haast niet beter!”

Figuur: Mevrouw Delmee in 2016 met haar klassefoto uit de jaren 30 of 40.